Angola heeft een imagoprobleem

25 juli 2016

De duurste hoofdstad ter wereld, een rijkdom aan olie en een status als middeninkomensland: Angola lijkt zijn zaakjes goed voor elkaar te hebben. Maar schijn bedriegt. Het gros van de bevolking is arm en slecht opgeleid, vertelt Pieter Potter van UNICEF.

Angola is een koning gekleed in vodden met een gouden kroon op zijn hoofd. Die kroon is de hoofdstad Luanda, waar het leven alleen betaalbaar en draaglijk is voor de superrijken. De vodden symboliseren de rest van het land, vol kogelgaten en mijnen door een lange burgeroorlog, zonder voorzieningen en kampend met een extreme droogte in het zuiden van het land, die nog eens wordt verergerd door El Niño.

Extreem rijk

"Angola heeft een groot imagoprobleem," zegt Pieter Potter. "Het is rijk aan olie, waarvan een weliswaar kleine, maar extreem rijke bovenlaag profiteert. Hun geld bezorgt Angola het BNP van een middeninkomensland, waardoor de meeste donoren afhaken. Dat is heel jammer, want Angola is eigenlijk straatarm*."

Pieter Potter 540

Pieter Potter temidden van onderwijzers en leerlingen van een door UNICEF gesteunde school voor speciaal onderwijs.

Pieter - die namens UNICEF verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en ondersteuning van het nationale onderwijsplan in Angola - merkt dagelijks de gevolgen van het gebrek aan fondsen voor sociale voorzieningen als het onderwijs. Niet alleen donoren zijn terughoudend, ook de regering investeert nog geen 8 procent van het totale nationale budget in onderwijs. Dat is minder dan wat andere regeringen in Afrika ervoor over hebben. "We vertrouwen daarom op onze overtuigingskracht en geduld," zegt Pieter. "Het scheelt dat UNICEF altijd al in Angola was, ook tijdens de burgeroorlog. De overheid ziet ons als een trouwe partner en dat opent deuren. Overheidsfunctionarissen luisteren naar ons, als we zeggen dat het onderwijssysteem beter kan. Wij vinden dat ook kinderen met speciale behoeften de kans moeten krijgen om naar school te gaan, net als kleuters, nomadenkinderen en kinderen van Angolezen die voor de oorlog zijn gevlucht en nu weer terugkeren. Zij spreken vaak geen Portugees, dus dat moeten ze eerst leren voordat ze kunnen meedoen aan de reguliere lessen. Bovendien - en dat is eigenlijk nog het belangrijkste: Angola moet investeren in het trainen en begeleiden van leraren, zodat die de kinderen goed kunnen opleiden."

UNICEF heeft geen geld voor grote, landelijke onderwijsexperimenten, maar dat hoeft ook niet. "De oplossing is lang niet altijd te vinden in groot en duur," zegt Pieter. "Ook kleinschalige, innovatieve projecten kunnen de overheid ervan overtuigen dat het werkt: kindvriendelijk onderwijs, gegeven door gemotiveerde onderwijzers die de namen van hun leerlingen kennen en niet alleen met hun rug naar de klas staan om rijtjes op het bord te schrijven. Het zegt genoeg als uit die kleine pilots blijkt dat kinderen dan wél de basisschool afmaken, goed kunnen lezen, schrijven en rekenen en zelfs doorstromen naar de middelbare school. Dan is de overheid best bereid om die verbeteringen in het hele land door te voeren."

Niet alleen El Niño heeft het gedaan

Dat kinderen wegblijven van school heeft niet alleen te maken met de huidige stand van zaken in het onderwijs. Ook El Niño is daar debet aan. "Door El Niño is vooral in het zuiden de droogte extremer dan gewoonlijk, waardoor oogsten mislukken en vee sterft. Kinderen zijn ondervoed en hun weerstand is minimaal. Leren is er dan niet bij. Als ze deel uitmaken van nomadenfamilies, gaan ze op pad. Weg van school, op zoek naar water." Toch vindt Pieter dat de regering de droogte of andere natuurrampen - zoals overstromingen in het noorden en oosten van het land - niet de schuld mag geven van de huidige staat van het land en van die van het onderwijs. "Het zuiden van Angola is altijd al droog geweest. De overheid zou daar meer op kunnen inspelen, bijvoorbeeld als het gaat om kinderen van nomaden. Die trekken al eeuwenlang rond. Als onderwijzers hen opzoeken, kunnen ze toch leren. We kunnen bijvoorbeeld hun dorpsoudsten trainen, zodat die zelf les kunnen geven."

Enorme opgave

Pieter omlijst zijn commentaar op de overheid met begrip, want hij weet: een land opbouwen na een jarenlange burgeroorlog is een enorme opgave. "De oorlog eindigde in 2002 en toen was alles kapot. Angola moet alle voorzieningen weer opbouwen. Bedenk wel: ons land heeft er honderden jaren over gedaan voordat het de welvaartsstaat werd die het nu is, de oorlog in Angola eindigde pas veertien jaar geleden. Ondertussen heeft het ook veel bereikt. Nu gaan ongeveer zeven miljoen kinderen naar school en dat is veel meer dan vlak na de oorlog."

Angola vertrouwt bij de wederopbouw van het land op de olie-export, maar doordat de olieprijs is ingestort krijgt het nationale budget grote klappen. Pieter: "De regering zou meer moeten investeren in andere inkomstenbronnen, zoals in de landbouw, visserij en misschien het toerisme. En in sociale zekerheid, gezondheidsposten en - natuurlijk -scholen, waar kinderen niet alleen boekenwijsheid moeten leren maar ook levensvaardigheden. Dan kunnen ze later een eigen bedrijf beginnen en weten ze hoe ze zichzelf kunnen beschermen tegen ziektes als malaria en gele koorts. 'De wortels van onderwijs zijn bitter, maar de vrucht is zoet,' zei Aristoteles en die oude wijsgeer had gelijk. Investeren in onderwijs kost geld en moeite, maar die betaalt zich tot in het oneindige terug. Het wijst Angola de weg uit het dal."


* volgens de sociale indicatoren van het UNDP Human Development Report

Angola Onderwijs 340

In Angola krijgen kinderen les in het Portugees.

Gerelateerd aan dit onderwerp