Dagboek Claudia de Breij

29 april 2012

Als kersverse ambassadeur van UNICEF bezoekt Claudia de Breij hulpprogramma's in Tsjaad. "Ik ben zenuwachtig. Als klein meisje wilde ik al eten brengen waar honger heerst." Lees hier het dagboek dat Claudia bijhield voor NRC Handelsblad. 

GS_CLAUDIA 002

Donderdag 19 april

Als ik mijn bekeuringen volgende week niet betaald heb, telt het Centraal Justitieel Incassobureau er nog een extra boete bij op. Ik moet vandaag echt internetbankieren, want zondag vertrek ik een week naar Tsjaad - en dit is de laatste dag dat ik, niet gehinderd door werk of kinderen, kantoortje kan spelen. Als ik uitlog, is er te weinig tijd om nog de stad in te gaan voor lichte kleding die het lichaam voldoende bedekt tegen malariamuggen, maar niet moordend is bij 45 graden. Toch probeer ik het. Ik pas vergeefs vijf vormeloze broeken in drie minuten, fiets gefrustreerd naar huis en cross naar Hilversum - praten met de VARA-vrienden over mooie tv-plannen. Toekomstmuziek. Eerst Tsjaad. Nee, eerst de kinderen uit de crèche. Eerst eten koken. Eerst maar eens een biertje.

Vrijdag

Het is vrijdag, dus ik mag weer lekker radio maken op 3FM en aanschuiven bij De Wereld Draait Door. In Tsjaad sterven ook vandaag meer dan tweehonderd kinderen onder de vijf van de honger. Just another friday. In de radio-uitzending bellen we met Jörgen Raymann over zijn reizen voor UNICEF. Hij vertelt mooie verhalen, ontkomt niet aan clichés als 'al redden we maar één kind', en wil 'Man in the Mirror' van Michael Jackson horen als toepasselijke plaat. Ik ben een beetje zenuwachtig. Als klein meisje al wilde ik als ik later groot was ambassadeur van UNICEF worden. Eten brengen waar honger heerst, en dat alles dan goed zou komen. Nu ben ik 37, heb ik te veel gelezen over The White Man's Burden en ken ik alle mitsen en maren aan ontwikkelingshulp. 'Waar ga je het over hebben op de krukken?' vraagt de DWDD-redactie. 'Oh ja, die reis naar Tsjaad. Ai, Afrika… Het is wel vrijdagavond hè?' Oh ja. Het is vrijdagavond. Dan moet er iets gezelligs, op tv. De kijker heeft geen zin in honger in Afrika, op vrijdagavond. Dat is niet gezellig.

Fuck de kijker. Afrika heeft zelf ook geen zin in honger, op vrijdagavond. Tweehonderd kinderen. Dood, vandaag. Ook niet gezellig.

Zaterdag

Vrij. Kinderen. Thuis. De Liefste aankijken en haar al missen terwijl ik er nog ben. De eerste malariapil innemen.

Zondag

Reizend overgegaan in de dag erop. Maandag Utrecht, Rotterdam, Brussel, Addis Ababa (Ethiopië) en een laatste overstap naar onze eindbestemming: N'djamena, de hoofdstad van Tsjaad. Ons onwaarschijnlijke gezelschap (van UNICEF-medewerkers tot journalisten en commissarissen der koningin) wordt na 24 uur reizen een groep. Alle zes zitten we, een beetje bleek om de neus, aan tafel voor een briefing over de voedselsituatie in de Sahel. Vijftien miljoen mensen bedreigd door honger. Een miljoen kinderen onder de vijf acuut in gevaar, waarvan 127.000 in Tsjaad. In gevaar betekent: als we nu niet ingrijpen, gaan ze dood. In Nederland las ik het, nu zien we een foto. Roger, een prachtige pikzwarte Tsjadiër die in Wageningen heeft gestudeerd, laat ons een zwaar ondervoed kind zien. Vel over been. Dik buikje. Vliegen op het gezicht. Grote zwarte ogen.

'Welk jaar was dit?' vragen we.  'Dit was vorige week,' zegt Roger met nauwverholen verbazing over zoveel naïveteit.  'En wat zijn de kansen van dit kindje?' durft één van ons.  'Dit kind is dood.'  'Maar dit is…is dit de situatie nu?'  'Dit is wat jullie morgen gaan zien,' zegt Roger.

We gaan maar vroeg naar bed.

Dinsdag

Om vijf uur gaat de wekker, om zes uur stappen we in de jeep. Mensen langs de stoffige wegen zwaaien naar onze blije blauwe VN-vlag op de motorkap. Een van de redenen dat ik, van de zeshonderdtachtigduizend goede doelen waar je je als bekend hoofd voor in kunt zetten, voor UNICEF heb gekozen is dat enorme internationale mandaat. Om zeven uur 's ochtends stappen we in een 20-zits vliegtuigje, waarop staat United Nations Humanitarian Air Service.

We landen in Mongo. Onderaan de vliegtuigtrap, middenin het woestijnlandschap, heten serieuze mannen ons welkom. De gouverneur, zijn ministers, een heleboel inktzwarte, glimlachende notabelen op kapotte schoenen die très heureux zijn dat Madame l'Ambassadrice met haar gevolg juist deze regio heeft uitgekozen voor het goede werk - en Madame l'Ambassadrice maar denken dat ze op deze eerste UNICEF-reis een beetje rustig aan de zijlijn kon blijven staan. Met haar gêne. En haar twijfels.

Maar iedereen, van de gouverneur tot het kleine jongetje in het versleten FC Barcelona-shirt (Messi staat op zijn rug) verwacht nú je aandacht. We gaan naar een mobiele kliniek waar moeders vanuit de wijde omtrek naartoe komen om hun kinderen te laten checken op ondervoeding. Ze wachten op de grond. Vermoeid. Gelaten. De kinderen op schoot ogen mager en ziek. Sommigen dragen amuletten met stenen en leren bandjes; de medicijnman heeft het eerst geprobeerd. Toen het kind toch maar niet beter werd, mocht de moeder van haar man alsnog naar de UNICEF-artsen.

GS_CHADPRV 007

De kinderen worden gewogen, gemeten en bijna zonder uitzondering te licht bevonden. De minst erge gevallen krijgen zakjes therapeutische superpindakaas om aan te sterken en blijven onder controle, de ergere gevallen moeten naar het ziekenhuis. We reizen ze achterna.

De dokter daar vertelt ons dat ze zo graag een bron zouden hebben; nu runt hij een ziekenhuis zonder water. Geen water, geen witte schone lakens, geen zusters op piepende Crocs - dit ziekenhuis lijkt in niets op wat ik gewend ben. Behalve dan dat ook hier de dokters hun stinkende best doen om patiënten zoals Maoulout te redden.

Dertien maanden oud en vier kilo zwaar. Licht. Hij kreeg therapeutische voeding, leek erbovenop te zijn, maar de dokter vermoedt dat moeder het eten verdeelde onder haar drie kinderen. Nu is Maoulout meer dood dan levend. De dokter zegt het, en ik voel het aan zijn kleine, benige handje tussen mijn dikke witte vingers. Dit is er eentje. Over vier maanden zijn de voorraden op. Het duurt vier maanden om noodhulp hier te krijgen. Als dat niet lukt, zijn het er duizenden. Tienduizenden. Honderdduizenden. Welk verhaal moet je thuis vertellen om dit te voorkomen?

GS_CLAUDIA 003

Woensdag

Scholen, waterputten, zeep, gaten in de grond om in te poepen -sjieker: latrines. Vandaag zie ik een proefje van eenvoudige oplossingen om dit soort ellende in de toekomst te voorkomen. Geef mensen een waterpunt, een toilet (hoe primitief ook) en onderwijs. Dan komt de rest, simpel gezegd, vanzelf. Ooit.

De vrouw tegenover me toont haar lege borst, en het lethargische kind in haar schoot hapt tevergeefs naar melk. Die heeft ze niet meer, vertelt de tolk. Ze moet naar haar akker, het kind op haar rug, en daardoor maakt ze alsmaar minder melk. Bovendien is ze zelf ook ondervoed, juist daarom werkt ze op het land. Een klassieke catch-22.

GS_CLAUDIA 004

Donderdag

Debriefing met de medewerkers van UNICEF, waarbij weer duidelijk wordt hoe complex het probleem is; ja, er is nu acute ondervoeding, en dat moeten we eerst oplossen. Maar daarna. Waterputten. Latrines. Onderwijs, vooral voor de meisjes. Als je die leert hoe ze hun kinderen moeten voeden en dat ze hun handen moeten wassen, zie je direct een spectaculaire daling van de kindersterftecijfers.

Mijn hoofd tolt.

Ik ging hier naartoe omdat ik meer wilde begrijpen, wilde leren hoe het nou zit. Maar de werkelijkheid is nooit zo eenvoudig als je zou willen. Hebben ze honger, geef ze eten. Nu, want ze gaan dood. Maar wil je de honger voor de toekomst voorkomen, dan moet je een ingewikkelder verhaal vertellen. Ik kan er minstens negen uur over nadenken, want zo lang is het vliegen. Naar huis. Waar het goed is.

 

Fotografie: UNICEF/ Guus Schoonewille

Wat kan jij doen?

Meer informatie

 

Gerelateerd aan dit onderwerp