Ooggetuigenverslag vanuit Haiti

20 januari 2010

UNICEF-medewerker Tamar Hahn doet verslag vanuit Port-au-Prince. Hulp in de chaos.

Tamar Hahn

Tamar Hahn werkt voor UNICEF in Panama. Zij doet verslag vanuit de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince, waar ze momenteel deel uitmaakt van het UNICEF-hulpteam.

Port-au-Prince, 17 januari 2010

Vanmorgen heb ik een veldhospitaal bezocht op de basis van de VN-vredesmissie. Twee enorme tenten tot aan de rand gevuld met slachtoffers van de aardbeving. De voorzieningen zijn erbarmelijk: weinig water en voedsel voor de patiënten en dokters. En doordat sanitair ontbreekt, ontdoet men zich uit nood achter de tenten van ontlasting. Geamputeerde lichaamsdelen belanden bij het afval.

Er is geen mortuarium: steeds meer lichamen van overledenen komen aan de rand van de tent te liggen. Vandaag is er een operatiekamer opgezet. Er vinden vooral amputaties plaats omdat de wonden die veel slachtoffers hebben opgelopen infecteren en levensbedreigend zijn. Er vinden momenteel geen andere operaties plaats. Voorzieningen zijn daarvoor te beperkt.

Babymeisje
In de kakofonie van gekerm en pijnkreten liggen vijf kleine kinderen. Familie om hen te voeden, te verschonen of hun hand vast te houden is er niet. Een meisje van ongeveer twee jaar oud werd hier eerder uitgedroogd en in shock binnengebracht. Ze heeft een spastische verlamming opgelopen. Ook zij is alleen en ligt te huilen. Ze is niet ernstig gewond en zou naar huis mogen, maar niemand weet hoe ze heet of waar haar familie is. Op een papier aan haar voeteneind heeft iemand 'babymeisje' geschreven.

Sean is er net zo aan toe. Hij is zeven jaar en heeft twaalf uur lang geroepen om zijn ouders terwijl hij opgekruld lag in foetushouding. De verpleegsters hebben alleen uit hem gekregen dat hij heeft gezien dat zijn ouders dood zijn. Nu loopt Sean tussen de andere patiënten. Zelf heeft hij alleen wat schaafwonden, maar de dokters willen hem niet laten gaan. Ze weten niet waar hij naartoe moet en wie er voor Sean kan zorgen.

Opvangplekken
Honderden, misschien zelfs duizenden kinderen in Port-au-Prince verkeren in dezelfde situatie. Ze liggen in hospitalen of zwerven over straat, zonder water en voedsel. En zonder bescherming tegen geweld en misbruik. Zelfs kinderen die niet gewond zijn, zijn getraumatiseerd en beschadigd. Ze lopen het risico ondervoed te raken, ziek te worden en zijn kwetsbaar voor seksueel misbruik en kinderhandel.

UNICEF is twee opvangplekken aan het inrichten voor tweehonderd kinderen als Sean en het 'babymeisje'. Hier zijn kinderen veilig en kan in hun eerste opvang worden voorzien terwijl naar hun familieleden wordt gezocht. Voor kinderen die niet herenigd kunnen worden met familie, zullen andere oplossingen gevonden worden.

In de voortuin
's Middags ga ik met een collega mee die verantwoordelijk is voor water en sanitatie. Hij checkt hoe de distributie van water verloopt waarmee gisteren is begonnen.

In de hoofdstad slaapt niemand meer in huis. Zelfs degenen van wie het huis nog overeind staat, wonen in geïmproviseerde tenten. Tentenkampen verrijzen op de paar pleinen van Port-au-Prince. Ook achter de hekken rondom het huis van de minister-president is een geïmproviseerd kamp gebouwd. In de voortuin. Wie geen onderkomen heeft gevonden op de pleinen of in voortuinen, blokkeert de straat met brokken beton en slaapt ter plekke op de grond.

In de stad zag ik vrouwen naakt knielen naast water om zich te wassen. Doordat latrines ontbreken, doen mensen hun behoefte op straat. Bergen vuil hopen zich overal op. De nacht hult de duizenden daklozen - op elkaar gepakt - in complete duisternis.

Dit is niet goed
Bij het huis van de minister-president kregen mensen - toen wij er waren - schoon water uit een opvouwbare container gevuld met 5.000 liter water. Dat is genoeg voor 1.000 mensen per dag. Iedereen wachtte in de rij geduldig op zijn of haar beurt, met jerrycans in de hand. Daarachter stonden mensen in de rij te wachten op hygiënekits die USAID verspreidt.

Vier kleine meisjes kwamen me gedag zeggen. Toen ik ze vroeg hoe het met ze ging, antwoordden ze dat het goed ging. Stania, een 17-jarig meisje ving dat toevallig op: 'Goed? Wat bedoel je?' vroeg ze. 'Dit is niet goed, dit is vreselijk en we kunnen zo niet lang meer door.'

Gelukkig zag ik hoe hulp de bevolking begon te bereiken, ondanks de afgrijselijke omstandigheden. Ik keerde terug naar de basis. UNICEF opereert noodgedwongen van daaruit. Het UNICEF-gebouw ter plaatse is ingestort. Op de basis kreeg ik te horen dat de zoon van één van onze chauffeurs overleden was. De aardbeving had hem verwond. Dit was het derde kind dat mijn Haïtiaanse collega verloor. Zijn dochter en een tweede zoon waren op slag dood toen hun huis instortte.

Sms'jes vanonder het puin
De aardbeving beïnvloedt elke UNICEF-medewerker hier. Verschillende medewerkers hebben alles verloren wat ze bezaten. Er is niets over dan de kleren die ze dragen. Iedereen is moe, getraumatiseerd, bang om alleen te zijn en zenuwachtig vanwege de naschokken die nog elke dag voelbaar zijn. De collega die verantwoordelijk is voor onderwijs slaapt al vijf nachten bij de ruïnes van de kantoren op de VN-basis. Ze wacht tot haar man uit de puinhopen gegraven kan worden. Hij leeft nog en stuurt haar sms'jes, maar hij is nog niet gered.

Bron: Tamar Hahn, UNICEF