Portret: Mijn eerste keer

  • RSS - Nieuws
  • Twitter
  • Facebook
  • Hyves
  • Stuur door

Dit azc staat niet ver buiten het dorp of de stad maar staat gewoon in een wijk. Je kunt de huizen van de inwoners van de stad vanaf het terrein van het azc zien. Dat maakt het azc meteen al wat normaler.

In december 2008 bezocht UNICEF-medewerker Caroline Kramer een azc. Dit is haar verslag.

Dit azc staat niet ver buiten het dorp of de stad maar staat gewoon in een wijk. Je kunt de huizen van de inwoners van de stad vanaf het terrein van het azc zien. Dat maakt het azc meteen al wat normaler. Als we ons hebben gemeld bij de receptie valt het mijn collega's al op dat het centrum er vrolijker uitziet dan het vorige azc. Er hangen leuke dingen aan de muur en het is ruimer opgezet.

Er staat een flapover in de ruimte die we aangewezen krijgen met een lijstje van typisch Nederlandse dingen erop geschreven:

Veel (heel veel) water
Overal bloemen
Veel oudere dames een hond, waarom?

Ik moet lachen om deze laatste zin en probeer zelf ook een antwoord te geven op deze vraag. Uit veiligheid? Om te kunnen knuffelen? Ik weet het eigenlijk niet. Erachter staat geschreven:

In Somalie jagen mensen achter honden aan.

Al snel komen de eerste kinderen binnen. Er zijn een tante en een oma bij. Ze blijven gedurende de hele middag. De kinderen komen voornamelijk uit Somalie. Er is ook een jongen uit Irak. De tante spreekt geen Nederlands en nauwelijks Engels. De oma spreekt helemaal geen andere taal. De hele tijd zit ze heel stil, alsof ze dat gewend is. Ze is helemaal in het zwart met ook een zwarte hoofdoek. Haar lippen vallen me ineens op. Ze zijn mooi.

Ik voel me rijk dat ik nu eens wat langer dichtbij deze mensen mag zijn die normaal ver van me af staan. Dat gevoel heb ik ook bij de kinderen. Ze komen vrolijk en levendig over. Ze luisteren allemaal naar onze uitleg waarom we hier zijn; dat ze kinderrechten hebben en dat wij graag willen horen hoe zij het beleven om in een azc te wonen. Ze maken een tekening van hoe hun huis eruit ziet, met wie ze leven.

's Avonds praat ik met een jongen uit Burundi (14 jr) Hij is levendig en nieuwsgierig. Er is heel weinig te doen, zegt hij, vooral op zondag is het heel erg saai. De sportschool is ook dicht. Er werd teveel gevochten. Hij vind het jammer want hij zou meer naar de sportschool willen. Het wachten en niet weten wat hem te wachten staat vind hij moeilijk. Daarom voetbalt hij graag, om het even te vergeten.

Na het gesprek vraag ik aan mijn collega's die meer ervaring hebben met azc's hoe het nou precies zit met procedures. Ze leggen me uit over positieve of negatieve beschikking, het verschil van vluchteling of asielzoeker, naturalisatie en status, dat status altijd tijdelijk is. Als we het er over hebben blijkt hoe moeilijk de materie te begrijpen is, ook omdat de regels om de paar jaar weer veranderen.

Ik merk dat er een wereld waar ik weinig van af wist voor me open gaat. Ik wil er veel meer van weten. Wat maken de kinderen die ik spreek allemaal mee?

Ik wil ze graag horen om hun ervaring in kaart te brengen en daarmee een steentje bij te kunnen dragen dat deze kinderen een stem krijgen. Dit eerste azc wat we bezoeken blijkt een relatief positief centrum, mensen zijn er nog niet zo lang en het belangrijkste is: ze hebben nog hoop.